tweeduizenddertien.bmp 

Ik heb altijd even tijd nodig om het nieuwe jaar tot me door te laten dringen. Vooral op nieuwjaarsdag is het opstaan onwennig. Je kijkt met andere ogen naar wat er om je heen gebeurt. Zijn dit goede voortekenen? Of juist niet? Een paar dagen lang wissel je met buren, familie, vrienden, collega’s en bekenden nieuwjaarswensen uit; eerst uitbundig en als vanzelfsprekend. Daarna wat ingetogener en ten slotte voorzichtig en aftastend met de vraag vooraf: ‘Mag het nog?’

Wat later in januari volgen de geplande nieuwjaarsbijeenkomsten van verenigingen, instellingen en bedrijven met de traditionele speeches. Zitten we met z’n allen op de goede koers? Waar moeten we zeker mee doorgaan? Wat zullen we anders of nóg beter gaan doen?

Voor degenen die zich met inburgering bezighouden, zijn dit voor het zoveelste jaar op rij lastige vragen. Opnieuw zijn er aanpassingen in de wet doorgevoerd en weer moeten de programma’s daarop worden afgestemd. Voor instromende cursisten komen de ‘profielen’ te vervallen. Formeel gebeurt dit vanwege de bezuinigingen maar misschien ook omdat het bij de vorige stelselwijziging allemaal te ingewikkeld is gemaakt. Al leek het op zich wel logisch om binnen de trajecten te differentiëren en deze te ondersteunen door praktijkexamens.

Het vereist moed om de draad weer op te pakken en niet in frustraties te blijven steken. Een schrale troost is dat het inburgeringsonderwijs niet alleen staat bij het verwerken van tegenslagen. In veel sectoren is de crisis voelbaar en overal wordt nagedacht over ‘crisisaanpak’ en hoe abstract het ook klinkt, het is de kunst om in tegenslagen nieuwe kansen te zien door buiten de gebaande paden te denken.

Vorige maand verscheen van het Sociaal en Cultureel Planbureau het rapport Dichter bij elkaar. Hierin gaat het om de vraag hoe het op dit moment gesteld is met vriendschappelijke contacten tussen niet-westerse immigranten en autochtone Nederlanders. De conclusie was niet zo positief. In bedrijven en instellingen waar de participatie van minderheden de afgelopen decennia verbeterd is, zoals bij hbo-studenten, formeren zich tijdens de pauzes vooral gescheiden Nederlandse, Turkse, Marokkaanse of Iraanse ‘groepjes’. In de persoonlijke sfeer komt het maar mondjesmaat tot het ontstaan van banden.                  

In het rapport stelt het SCP de vraag hoe erg dit is. Vriendschap ontstaat uit een gevoel dat er een basis is die het voor beiden de moeite waard is om die band aan te gaan. Dit kunnen zowel overeenkomsten als verschillen in achtergrond zijn. Rond de eeuwwisseling werd er in het inburgeringsonderwijs veel energie geïnvesteerd in het leren kennen van diverse culturele achtergronden. Zegt het SCP nu dat dit voor niks geweest is? Nee! Veel docenten en cursisten hebben zich prettig en veilig gevoeld met elkaar in de inburgeringscursussen en zich daar met hart en ziel voor ingezet. Door de stelselwijzigingen daarna is de sfeer verzakelijkt en is het examen doel geworden. Is er een gulden middenweg of moeten we in een andere richting denken? Kan het niet zijn dat tot-nu-toe vanuit het inburgeringsonderwijs over het hoofd gezien is dat noch de lessen zelf noch de afsluiting het uiteindelijke doel is omdat de betrokkenen er te dicht opgezeten hebben? Het SCP legt in het rapport de vraag bij de samenleving hoe zij dit doel ziet. Is dit onze uitdaging voor 2013?