voorschool.jpg

Volgens Bas ter Weel, econoom van het Centraal Planbureau, is verlaging van de leerplicht naar vier jaar en uitbreiding van de voorschool de beste investering maatschappelijke investering die onze overheid kan doen. Vorige week trok zijn inaugurele rede als hoogleraar sociale economie aan de Universiteit van Maastricht, waarin hij dit betoogde veel aandacht.

Die aandacht zal zeker te maken hebben met de rekenkundige onderbouwing van zijn stelling.

Om voor de 50.000 kinderen die volgens het ministerie van Onderwijs in achterstandswijken wonen, een plek op de voorschool te creëren, is 250 miljoen euro nodig. Dat is 5000 euro per kind per jaar, oftewel 10.000 euro voor de twee jaar die de voorschool duurt.

Van der Weel zet deze kosten af tegen wat er zou kunnen gebeuren met kinderen die bij hun start op de basisschool een achterstand hebben die door eerder met school te beginnen voorkomen had kunnen worden. Tot die groep rekent hij ook de twee procent van de Nederlandse kinderen die niet naar groep 1 van de basisschool gaan omdat de leerplicht pas vanaf hun vijfde verjaardag ingaat. Op de mogelijke negatieve gevolgen hiervan laat Van der Weel ook een aantal getallen op los. Een schooluitvaller die in de bijstand terecht komt kost de gemeenschap jaarlijks 25.000 euro. De kosten voor een jaar detentie bedragen 85.000 euro. 

Van der Weels benadering doet herinneren aan de Amerikaanse sociologen die in de jaren zestig hun pleidooi voerden voor extra taalprogramma’s voor van huis uit niet-Engelstalige sprekende kinderen. Of is zijn aanpak het visitekaartje van de econoom die zich op het terrein van de sociale economie begeeft? Hij kondigde aan om met een Amerikaanse collega meer onderzoek te willen doen naar de gunstige effecten van onderwijs aan jonge kinderen met een achterstand. De uitkomsten worden met vertrouwen tegemoet gezien.

Toch denk ik niet dat het verstandig is om op basis van Van der Weels voorstelling van zaken  een ‘Voorschoolwet’ op te stellen en 250 miljoen euro voor voorscholen in achterstandswijken 50.000 vrij te maken. Ik voorzie een herhaling van allerlei onvoorziene problemen rond de Inburgeringswet van enkele jaren geleden. Ook hier is sprake van een door de overheid aangeboden faciliteit voor een groep uit de samenleving. Maar door de direct betrokkenen, de ouders in dit geval, kan de met goede bedoelingen aangeboden faciliteit gemakkelijk uitgelegd worden als een vervelende verplichting. En stigmatiserend. Een dergelijke verplichting kan alleen geldend gemaakt worden als er sancties op rusten. Daar zitten veel haken en ogen aan als er geen goede criteria kunnen worden geformuleerd voor wie de verplichting geldt en waarom, zoals we bij de inburgering hebben ervaren.

Veel makkelijker lijkt het me om de leerplicht te verlagen tot vier jaar. Dat is duidelijk, en dat geldt voor alle kinderen (en ouders) en de kosten zullen gering zijn. Op elke 98 kinderen in het basisonderwijs zullen er 2 kinderen bij komen. Aan de bestaande voorzieningen en het apparaat om de verplichting te sanctioneren hoeft niets te veranderen.