carmiggelt.png

In het Persmuseum in Amsterdam is een tentoonstelling te zien over Simon Carmiggelt (1913 – 1987) naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag. Door velen wordt hij gezien als de peetvader van de krantencolumn. Veertig jaar lang schreef hij dagelijks een stukje (cursiefjes) voor Het Parool waarin hij allerlei ‘toevallige’ ervaringen en ontmoetingen vastlegde. Van deze Kronkels werd jaarlijks een bloemlezing samengesteld en als pocketboekje uitgegeven. In alle Nederlandse boekenkasten stonden ze en iedereen wist wel een paar titels te noemen als Poespas, Fluiten in het donker, Kroeglopen, Duiven melken of Haasje over.

Carmiggelt schreef in een tijd waarin literatuur vooral een kunstvorm werd gezien. Alleen het werk van een selecte groep schrijvers maakte aanspraak op dit predikaat. Over het algemeen behandelden zij zwaarwichtige thema’s. Schrijvers die dit niet deden, kregen de erkenning niet. Godfried Bomans bijvoorbeeld wilde maar al te graag literaire status maar dat hij naast schrijver ook grappige bekende Nederlander wilde zijn, zat in de weg.

Opvallend is dat Carmiggelt met zijn Kronkels die literaire status wel kreeg. Al in 1961 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs en in 1974 de P.C. Hooftprijs. Eind jaren zeventig studeerde ik Nederlands en ik herinner me nog mijn verbazing toen onze jonge docent stilistiek (C. de Ruiter) vertelde dat hij bezig was te promoveren op Carmiggelt. Bekend was ook dat Gerard Reve hem bewonderde. In De Taal der Liefde publiceerde hij zijn brieven aan ‘kunstbroeder Carmiggelt’. In het boekenweekgeschenk van 1979, Mooi kado deed Carmiggelt het omgekeerde.

Ik kan me niet meer herinneren of wij op de middelbare school Carmiggelt op onze boekenlijst mochten zetten. In de Nederlandse les werden Carmiggelts stukjes wel gelezen en werd hij geroemd om zijn stijl. En toen ik op de tentoonstelling na jaren weer wat stukjes van hem onder ogen kreeg, was ik met name door zijn stijl verrast. Ook zijn manier van voordragen op de televisie, waarvan fragmenten te zien zijn, doet verrassend vakkundig aan. Hij weet het gekunstelde van het Algemeen Beschaafd Nederlands uit die tijd te vermijden. Ik meende zelfs een licht Haags (zijn geboorteplaats) accent te horen.

De tentoonstelling is vooral uit ‘leesmateriaal’ samengesteld met daarnaast foto’s, illustraties bij Carmiggelts uitgaven en enkele filmopnamen zoals een sketch van De vieze man door Kees van Kooten die Carmiggelt in een boekhandel vraagt om een boekje voor hem te ‘signaleren’. Een uitgebreid artikel uit 1977 van een gerenommeerd dagblad, geschreven naar aanleiding van Carmiggelts P.C. Hooftprijs las ik dat er tot dan toe 9000 Kronkels waren verschenen, voldoende om een oppervlakte van twee hectare mee te bedekken (ook in die tijd liet het toegepast rekenen wel eens te wensen over……). 

Qua inhoud doet het werk van Carmiggelt tijdloos aan maar ik denk niet dat zijn stijl nog toegankelijk is voor middelbare scholen en het NT2 onderwijs. De situering van de stukjes is sober, de gesprekken zijn heel direct weergegeven maar het taalgebruik is nogal omfloerst door woordspelingen en vergelijkingen die als overdrijving of understatement bedoeld zijn. Het sobere en directe is door latere generaties columnisten als Ischa Meijer, Frits Abrahams, Sylvia Witteman en Martin Bril overgenomen. Over zichzelf zei Carmiggelt ooit: ‘Ik word getroffen door het samengaan van het treurige en het dwaze.’ Zo bezien komt zijn werk als oorspronkelijk en zeer oprecht over. De tentoonstelling laat zien dat dit ook gold voor de persoon die hij was buiten zijn schrijverschap om.    

 

Carmiggelt, chroniqueur van het dagelijks leven is nog te zien tot 26 januari 2014.