rijtjeshuis.png

Vier van de zeven miljoen huizen in Nederland zijn van het type ‘rijtjeshuis’: identieke, aan elkaar geschakelde eengezinswoningen. Het meest bekend is de zogenaamde ‘doorzonwoning’ een rijtjeshuis waarvan de woonkamer doorloopt over de volle diepte van het huis zodat er zowel van voren als van achteren licht binnen kan komen. Veel grootschalige buitenwijken uit de jaren zeventig zijn hiermee volgebouwd. De Nederlandse taal kreeg er een nieuw voorvoegsel bij: ‘doorzon-‘, met de betekenis ‘doorsnee’ of ‘saai’.

Deze week verscheen er een fotoboek over dit onderwerp: Het rijtjeshuis. De geschiedenis van een oer-Hollands fenomeen. NRC journalist Bernard Hulsman schreef de teksten en fotograaf Luuk Kramer verzorgde de foto’s. De foto’s zijn zo genomen dat alle aandacht naar de huizen zelf uitgaat. Om uit te laten komen dat het om een rijtje huizen gaat, zijn de beelden meestal vier voordeuren breed. De luchten zijn overal grauw en de bomen kaal zodat.  Zij laten zien dat Nederlandse rijtjeshuizen veel verschillende gedaanten hebben. Ook in de media kwamen de auteurs de afgelopen week ruimschoots aan het woord om het onderwerp van hun boek toe te lichten.

De eerste woningen in Nederland die als rijtjeshuizen beschouwd kunnen worden. waren de hofjes voor minder bedeelden die nog overal in oude steden en dorpen te zien zijn. Maar verreweg de meeste rijtjeshuizen stammen uit de jaren zeventig toen de gele bakstenen wijken overal uit de grond gestampt werden om de woningnood te beëindigen. In de periode na de Tweede Wereldoorlog werden er veelal flats gebouwd maar vooral door de ervaringen met de Amsterdamse Bijlmer kwamen die in een negatief daglicht te staan. De bewoners zaten teveel opgesloten en kwamen niet naar buiten; kinderen groeiden op tot ‘flatneurootjes’.

De standaard van de sociale woningbouw werd een huis met een tuin. Veel mensen uit de stad verruilden hun krappe bovenwoning in de stad maar al te graag voor een huis met een tuin in Heerhugowaard, Zoetermeer, Almere of Lelystad. Het idee van woonerven waar kinderen veilig op straat konden spelen terwijl moeder vanuit de keuken (aan de voorzijde van het huis!) een oogje in het zeil kon houden, sprak aan. Kort daarna echter werd de nieuwbouwwijk weer het symbool van pubers en adolescenten die zich stierlijk verveelden omdat er niets te beleven was. Zelfs de mus dreigde er uit te sterven doordat ze geen hoekjes meer konden vinden voor een broedplaats. De beeldvorming met betrekking tot de ‘bloemkoolwijken’ met ‘rijtjeshuizen’ uit de jaren zeventig werd steeds negatiever.

Als antwoord hierop kwam de Vinexwijk waarin toekomstige bewoners al tijdens het bouwen betrokken werden bij de indeling en afwerking van hun huis, de zogenaamde participatiebouw. En inmiddels zijn we in een situatie aanbeland waarin nauwelijks meer gebouwd wordt. Zou het daarom zijn dat het boek van Hulsman en Kramer zoveel positieve gevoelens bij lezers oproept die hun jeugdjaren in een rijtjeshuis hebben doorgebracht?