watersnoodramp.jpg 

Deze week wordt de grootste overstroming uit de moderne Nederlandse geschiedenis herdacht, nu precies zestig jaar geleden. In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 stroomde het zeewater over de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden en het westen van Brabant. Daarbij kwamen ruim 1800 mensen om het leven. Het hoge water werd veroorzaakt door de combinatie van springtij en noordwester storm. Dat de dijken zo makkelijk doorbraken was het gevolg van achterstallig onderhoud, menselijk falen dus.

In de Wederopbouw-geest van die jaren werd besloten om met dit laatste korte metten te maken. Het idee was om de zeearmen met zware dijken af te sluiten zodat zuidwest Nederland voortaan afdoende beschermd zijn tegen elke dreiging vanuit zee.

De praktijk was echter zó gecompliceerd dat het plan niet zomaar kon worden uitgevoerd. Twee belangrijke zeearmen, de Nieuwe Waterweg en de Westerschelde konden niet worden afgesloten omdat zij de toegang vormden tot de havens van Rotterdam en Antwerpen. Dat het ecosysteem in de zeearmen ingrijpend zou veranderen als zout water in zoet water zou veranderen werd aanvankelijk beschouwd als een probleem voor de mosselvisserij. Na de afsluiting van het Grevelingenmeer in 1971 werd duidelijk dat de gevolgen veel groter waren door verstikking van het water. Ook het stilleggen van de getijdenstromingen had negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Tot de dag van vandaag wordt er hard gewerkt aan oplossingen voor dit probleem. De eigenlijke Deltawerken zijn in 1997 afgerond met de Maeslantkering bij Hoek van Holland.

 

Hoe veilig is Nederland nu? Minister Schultz van Haegen van Infrastrucuur greep deze gelegenheid aan om Nederland te waarschuwen voor de gevolgen van een nieuwe overstroming. De Deltawerken waren vooral gericht op het deel van Nederland dat in 1953 getroffen werd. Een volgende extreme stijging van het zeewater zou wel eens tot duindoorbraken kunnen leiden waardoor een ander gedeelte van Nederland onder water zal lopen: de Randstad. Ook in 1953 scheelde het maar een haar of dit zou gebeurd zijn als gevolg van dijkdoorbraken aan de noordzijde van de Nieuwe Waterweg en langs de Hollandse IJssel. De gevolgen zullen vele malen ernstiger zijn en de minister vindt het tijd om hierover na te denken. Zij pleit voor het opstellen van een concreet rampscenario. Volgend jaar zal de overheid de bevolking een evacuatieplan bekend maken. Voor elk lager gelegen regio worden instructies opgesteld wat mensen bij een eventuele overstroming te doen staat. Vluchten naar hogere delen van Nederland zal onder dergelijke omstandigheden niet eenvoudig zijn. De wegen zullen het verkeer niet aankunnen. Een idee is om ook de linkerhelft van de snelwegen open te stellen voor verkeer in de veilige richting. Maar dan nog is de kans groot dat de belangrijkste vluchtwegen in zuidelijke Randstad, de A20 (Rotterdam – Gouda) en de A12 (Den Haag – Gouda – Utrecht – Arnhem) snel onder water zullen verdwijnen. Beide wegen voeren namelijk ten westen van Gouda door het diepste gedeelte van Nederland. Daarom moet zeker ook worden nagedacht over het inrichten van veilige plekken in de dichtbevolkte lage gebieden zelf. Als mogelijkheid noemde de minister het bouwen van drijvende woningen of kades die een paar meter boven de zeespiegel uitsteken.

Het uitgangspunt van de Deltawerken was dat je het menselijke inspanning altijd zou moeten kunnen winnen van natuurkrachten. Inmiddels wordt daar genuanceerder over gedacht. Een mooi voorbeeld is de ‘zandmotor’ bij Kijkduin. Daarbij wordt de kracht van de natuur juist aangewend om ons een handje te helpen bij het versterken van de duinenrij. Honderd procent garantie tegen natuurgeweld bestaat niet. Daarom is het een goede zaak als de kwetsbaarheid van Nederland, na de ervaring van 1953 en de ervaring van de Deltawerken dat je de natuur niet ongestraft om zeep kunt helpen, nu in de samenleving eindelijk bespreekbaar wordt gemaakt.