finse-vlag.jpg

In het AD van zaterdag 7 september stond een opmerkelijk artikel met een vergelijking van het Finse onderwijs met het Nederlandse. De basis hiervoor was de PISA ranking, de uitslag van het driejaarlijkse onderzoek van het Programme for International Student Assessment van de OESO. Finland neemt op deze ranglijst de hoogste plaats in van alle Europese landen. Met ‘taal’ bijvoorbeeld staat het op de derde plaats waar Nederland de tiende plaats inneemt. Wat  niet per se betekent dat het Nederlandse onderwijs het slecht doet. Europese landen komen sowieso weinig voor in de top 10. Ook dit zou interessant zijn voor een onderzoek, maar dit terzijde.

Journalist Renske Baars is in Finland op zoek gegaan naar mogelijke verklaringen waarom het Finse onderwijs vergeleken met andere landen zo hoog scoort. Daarvoor zette zij het Finse onderwijssysteem voor kinderen tot 17 jaar tegen het Nederlandse af. Zij kwam tot de bevinding dat de verschillen bijna niet extremer kunnen zijn en dit juist op een paar punten waarop het Nederlandse onderwijssysteem zwaar inzet.

Op Finse scholen wordt al 50 jaar hetzelfde onderwijsstelsel gehanteerd. Er wordt klassikaal lesgegeven met een leraar die uitlegt voor een klas die luistert. Een baan in het onderwijs is alleen weggelegd voor bevlogen docenten. Voor elk type onderwijs is een universitaire studie vereist en met een aanvangssalaris van 3000 euro voor een docent is het aanbod van gegadigden groot. 

Finse kinderen gaan pas vanaf hun zevende jaar naar school. Ongetwijfeld spelen bevolkingsdichtheid en klimaat hierbij een rol  Finland is dunbevolkt zodat schoolkinderen ’s winters in extreme kou vaak ver moeten reizen. Bovendien speelt een anderstalige achtergrond van kinderen daar veel minder, hét Nederlandse argument om kinderen van verschillende herkomst zo jong mogelijk met elkaar om te laten gaan.

Bijzonder aan het Finse onderwijssysteem is een extreme huiver voor toetsen. Kinderen onder de zestien jaar zullen nooit proefwerken of toetsen krijgen. Daarna gebeurt dit slechts mondjesmaat. De achterliggende gedachte is dat proefwerken en toetsen (het angelsaksische model) vooral instrumenten zijn om leerlingen af te zetten tegen het ‘gemiddelde’ en dat ze een concurrentiestrijd tussen scholen onderling opwekken en dat ze weinig zeggen over de capaciteiten van de individuele leerling. Het Finse model gaat ervan uit dat docenten naar het individuele kind kijken en van daaruit aan de slag gaan, wat het beste lukt op basis van vertrouwen. Centrale toetsing is daarbij uit den boze. Wel krijgt 30 procent van de kinderen gedurende hun eerste leerjaren extra hulp door ambulante deskundigen die aan hun school verbonden zijn.

Het is onmogelijk om op basis van een individueel journalistiek onderzoek uitspraken te doen over de kwaliteit van verschillende onderwijssystemen en ik doe dat dan ook niet. Opmerkelijk vind ik echter de Finse reflectie op het doel van toetsen. Zelf ben ik van mening dat ze nodig zijn om leerlingen te prikkelen om zich leerstof echt eigen te maken. Maar ik weet ook hoe vaak proefwerken en toetsen tot een kater leiden bij leerlingen die zich goed voorbereid hebben maar er niet in kwijt kunnen wat ze op het moment van maken wisten en konden. In die zin hebben de Finnen naar mijn mening zeker gelijk.