martin-bril.jpg

Afgelopen week overleed Martin Bril. Ik kan mij niet herinneren dat ik zijn naam ooit hoog aantrof op ranglijsten van Nederlandse schrijvers. En laat ik eerlijk zijn: het is ook nooit in mij opgekomen dat hij daarop een stevige plaats zou moeten hebben. Maar dat er deze dagen zoveel aandacht naar hem uitgaat, lijkt me volkomen terecht.

Ik zag Martin Bril vorig jaar tijdens een optreden met Ronald Giphart en Bart Chabot. De bravoure waarmee hij vrouwen en meisjes beschreef, kwam vrij grof op me over. Een echt stadsschoffie. Zijn stoere, nozemachtige verschijning benadrukte dat nog eens. Ik wist dat hij als columnist vaak stukjes met dezelfde strekking schreef. Maar niet altijd.

Sterker vond ik stukjes die hij schreef naar aanleiding van zwerftochten die hij blijkbaar maakte naar de vreemdste plekken in Nederland. Sinds ik stukjes van hem las over Ommerschans en Snikzwaag zitten deze namen in mijn geheugen gegrift. Amsterdamse daklozen vertelden mij vol trots dat ze samen met hem hadden opgetreden midden op de Afsluitdijk, hetgeen ze met een website vol foto’s konden bewijzen. Verbaasd las ik ook dat hij een boek geschreven had over Napoleon.

Uit de levensbeschrijvingen die je deze week overal leest, komt naar voren dat Martin Bril zich nooit, zoals veel schrijvers uit zijn omgeving, had laten inkapselen in een Amsterdamse kunstenaarsscene. Hij behield oog voor stille plekjes in Nederland en schreef daar met veel liefde over. Ik denk er in zijn nagelaten werk veel materiaal zit dat geschikt is voor nieuwkomers om kennis te maken met het oer-Nederlandse: De doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg-instelling. Kijk bijvoorbeeld in de bundel Donkere dagen eens naar Kapper of Ploeteren. Stukjes van nog geen vijfhonderd woorden lang die de Nederlandse sfeer geweldig neerzetten.