claudius civilis
Drie maanden lang zal in het Rijksmuseum in Amsterdam de tentoonstelling Late Rembrandt te zien zijn. Er worden meer dan 100 schilderijen en tekeningen getoond die Rembrandt vanaf zijn vijfenveertigste gemaakt heeft. De wereldberoemde meester is niet ouder dan 63 jaar geworden.
De tentoonstelling is een unieke gebeurtenis. De kunstwerken zijn van heinde en ver naar Amsterdam gekomen. Van musea uit Melbourne, Los Angeles, New York, Berlijn, Washington, Stockholm, Moskou, Parijs, Den Haag, Rotterdam tot Haarlem. Ook is er veel werk uit particuliere verzamelingen te zien.
Omdat er veel reclame voor de tentoonstelling gemaakt wordt en omdat het Rijksmuseum sinds de heropening fenomenale bezoekersaantallen haalt, wilde ik niet te lang wachten met een bezoek. Via internet bestelde ik een toegangsbiljet voor vanochtend 9.00, het vroegste blok. Zo’n ticket geldt voor twee uur om iedereen de gelegenheid te geven de schilderijen goed te bekijken.
De tentoonstelling is verdeeld over negen zalen. Het werk is ingedeeld in tien hoofdstukken die zijn artistieke drijfveren bepalen. Je komt binnen in de zaal met drie van Rembrandts zelfportretten waarvan hij er meer dan tachtig gemaakt heeft. En zo sta je dus meteen oog in oog met de schilder die je van drie kanten tegelijk aankijkt. Een boers gezicht dat kwetsbaarheid, spot en eigenzinnigheid uitstraalt. Een door alle afbeeldingen overbekend gezicht, maar verrassend bij zo’n confrontatie met het echte schilderij is het licht dat eruit lijkt te komen. Natuurlijk is dit een cliché, zoals eigenlijk alles wat je als leek over Rembrandt nog kunt zeggen.
Toch is er volop gelegenheid om de tentoonstelling op je eigen manier te beleven. De korte beschrijvingen bij de schilderijen bieden voldoende aanknopingspunten. Opvallend vond ik bij veel schilderijen de tegenstelling tussen het deel met de ‘lichtval’ dat alle aandacht trekt en ‘de rest’ van het schilderij. Met name in dit late werk lijkt het vaak of dit laatste hem niet meer boeide en dat hij het donker vulde met donker om er zo weinig mogelijk tijd aan kwijt te zijn. Handen leek hij weg te moffelen of af te raffelen.
Interessant is ook om van een afstand naar het schilderij toe te lopen en daarbij je ogen op het lichte gericht te houden. Wat uit de verte als detail op je overkomt, spat van dichtbij ineens uit elkaar tot onbestemde, nonchalant uitgeveegde verf, wat dus beslist niet zo is. Een bijzonder voorbeeld hiervan is de helm van Alexander de Grote die op afstand de illusie wekt van spiegelend staal dat van dichtbij ‘gewoon wit’ is als muurverf.
Waar het uiteindelijk natuurlijk om gaat is de emotie die de schilderijen besloten ligt. Schijnbaar moeiteloos kon hij gezichtsuitdrukkingen weergeven en zo weet Rembrandt mensen die driehonderd en vijftig jaar geleden leefden heel dichtbij te brengen. Dit geldt vooral de schilderstukken van zichzelf en zijn naasten die hij vanuit artistieke aandrang schilderde, maar zeker ook voor de mensen die hij in opdracht portretteerde.
Dat hij sommige opdrachtgevers door zijn aanpak in verwarring bracht, kan ik me voorstellen. Op de tentoonstelling is ook De samenzwering van Claudius Civilis te zien, bedoeld voor het nieuwe stadhuis op de Dam, maar waar de opdrachtgevers uiteindelijk niet akkoord mee gingen omdat de oude eenogige Claudius Civilis niet heldhaftig genoeg was afgebeeld.
Hoever hij van zijn tijdgenoten verschilde, kun je ook zien als je na het verlaten van de tentoonstelling nog even langs de eregalerij met de Nachtwacht loopt. Wat een contrast met de andere zo stijf gecomponeerde schutterstukken.