Crassula-ovata-2

Uit de jaren zestig en zeventig herinner ik me dat kamerplanten een vaste plaats in het sociale leven hadden. Waar je ook kwam, in elk huis stond een rijtje planten in de vensterbank. Het was ook een thema in de kinderwereld. Op scholen stonden planten en er werden van school uit wedstrijden georganiseerd om thuis een plantje op te kweken. Je had de populaire televisieserie Ja zuster, nee zuster met in de hoofdrol zuster Clivia die genoemd was naar een bloeiende kamerplant die toen al een beetje ouderwets was. Uit dezelfde serie kwam het populaire liedje: Een stekkie van de fuchsia. Van de Sterreclame kende iedereen Pokon, de potjes kunstmest voor kamerplanten waarvan je wekelijks een theelepeltje oploste in een gieter. Mannen die wat kalend begonnen te worden, konden steevast rekenen op de grap: ‘Jij hebt Pokon nodig’.

Er werd onderscheid gemaakt tussen makkelijke en moeilijke planten en alles daar tussenin. Het makkelijkst waren de sanseveria en de enige plant die in de volksmond geen naam had maar in de boeken als crassula ovata werd aangeduid. Een grote vetplant met ronde bladeren en een dikke stam die zelfs de ernstigste verwaarlozing moeiteloos verdroeg. Moeilijk waren planten die een ingewikkeld traject van warmte, koelte, licht, droogte en vocht nodig hadden om uiteindelijk in bloei te komen: cyclamen, lidcactussen, gewone cactussen, bromelia’s en fuchsia’s. Wie dit voor elkaar kreeg, had aanzien. Nog knapper was het om dit kunstje met dezelfde plant jaarlijks te herhalen, de bromelia uitgezonderd want die bloeide maar één keer. Het geheim van de bromelia was dat je die water in het hart moest geven.

Nieuwe planten kopen was er niet bij. Beginners lieten zich op weg helpen met stekjes die je bij gevorderden mocht ‘bietsen’. Door familie en vrienden werd bijgehouden wat de ‘moederplant’ van elke plant was geweest. Ook de jongere generaties die op zichzelf gingen wonen, deden enthousiast mee. Nieuw in de jaren zeventig waren de parapluplant in de accubak, het erwtenplantje en het lantaarnplantje die vanuit een hoge positie naar beneden groeiden. Soorten die zich uitermate makkelijk lieten stekken.

Begin jaren tachtig verzakelijkte de kamerplant. Het werd de gewoonte om planten te kopen om een open plek in huis te vullen. Forse planten waarbij het vooral om de vorm van de bladeren ging: ficussen, dieffenbachia’s, dracaena’s en yucca’s. Tropische planten die het in Nederlandse nieuwbouwhuizen met centrale verwarming en veel zon volhielden, maar die alleen door professionele ‘potplantenkwekers’ konden worden vermeerderd en grootgebracht. Voor yucca’s haalden ze zelfs in stukken gezaagde stammen rechtstreeks uit Midden-Amerika.

Er werd een systeem ontwikkeld met gepofte kleikorrels in vierkante plastic bakken met in een buisje een peilstokje om de watergeefbeurten tot één keer per week of nog minder terug te brengen: hydrocultuur. Grote kantoorpanden werden de nieuwe afnemers. Planten moesten binnen de opvattingen van de binnenhuisarchitectuur decoratief zijn.

Als ik tegenwoordig een plantenwinkel binnenloop, zie ik veel planten met onbestemde bladvormen die ik niet meer weet te benoemen. Ook heb ik de indruk dat er veel gemanipuleerd is met bekende planten om ze een stuk kleiner te maken: sinaasappelboompjes, bananenplanten en palmen. Sierplanten zijn onpersoonlijker geworden, wat nog opvallender is in alle verharde tuinen die de laatste decennia zijn aangelegd.

Er wordt wel eens gezegd dat het houden van kamerplanten een Nederlandse traditie is. De stelling lijkt me niet houdbaar in die zin dat ik weinig landen gezien heb waar kamerplanten helemaal afwezig zijn. België bijvoorbeeld was altijd al beroemd vanwege de sanseveria. Misschien wel typisch Nederlands was de inmiddels verdwenen persoonlijke betrokkenheid bij planten die zich uitte in de kennis van plantennamen, het uitwisselen van stekjes, de huismiddeltjes tegen luis en ander ongedierte, Sterspotjes met Pokon, uitdrukkingen als ‘achter de geraniums zitten’ of ‘bloempotkapsel’ en het zoenen van een cactus.