SONY DSC

Nederlandse melkveehouderijen waren de eerste week van het nieuwe jaar op bijzondere manieren in het nieuws. Vanwege de gladheid kon in de noordelijke provincies de melk niet worden opgehaald om naar de zuivelfabriek te brengen. Het was sinds 1979 niet meer gebeurd dat de inhoud van vol geraakte melktanks om die reden gedumpt moest worden. Op andere plaatsen in Nederland gebeurt het omgekeerde. Hier worden bij boeren de laatste tijd regelmatig voorraden kaas weggehaald zonder dat dit de bedoeling is: door kaasdieven welteverstaan. Voor export naar het schijnt. Wie in Nederland zelf met gestolen boerenkaas op de markt verschijnt, loopt een grote kans om gesnapt te worden. Elke kaas is door middel van een stempel genummerd.

Hoewel de kaasmakerij hier een lange traditie kent en Nederland voor veel buitenlanders het kaasland bij uitstek is, is kaas op zich geen Nederlandse uitvinding. Recentelijk is vast komen te staan dat er in Polen 7000 jaar geleden al kaas gemaakt werd. In Nederland zijn de vroegste opgegraven potten met gaatjes die hierop duiden 2800 jaar oud. In veel culturen wordt melk verwerkt tot langer houdbare producten die aangeduid worden met kaas. Meestal gaat het om zachte substanties. Ook Nederlandse kaas was aanvankelijk zacht tot er vanaf de 12e eeuw harde kaassoorten ontstonden.

Melkvee wordt van oudsher in Nederland vooral in de lager gelegen gebieden gehouden: het tegenwoordige Friesland, Noord- en Zuid-Holland. Hier werd de meeste boter en kaas gemaakt. In de zestiende eeuw werd de bereidingswijze sterk verbeterd en konden kazen veel langer bewaard worden. Het ging vooral om manieren om de korst sterker te maken. Kaas werd een belangrijk exportproduct. Vooral in Frankrijk waren de ronde Edammer kazen geliefd.

In de achttiende eeuw gingen de noordelijke provincies zich toeleggen op het weiden van kalveren tot koeien die net hadden gekalfd en melk begonnen te geven. Dan werden ze aan boeren in Holland verkocht. Door de nabijheid van grote steden was de vraag naar melk en zuivel in het westen het grootst. Koeien gaven toen al gemiddeld 2000 liter melk per jaar. Rond 1900 was dat 2500 liter, in 1950 bijna 4000 liter en tegenwoordig 8000 liter per jaar.

Ook de kaasmakerij concentreerde zich in Holland. Op de boerderij was dit het werk van de boerin. De streek rond Gouda specialiseerde zich in kaas van volle melk. Rond Leiden werd kaas van afgeroomde melk gemaakt omdat de room voor boter werd gebruikt. Aan deze magere kaas werden komijn, kruidnagelen, karwij enz. toegevoegd.

Verschillende Hollandse steden, met name Alkmaar en Gouda zijn bekend om hun kaasmarkten. Zij hebben hun oorspronkelijke economische betekenis verloren door de opkomst van fabriekskaas, halverwege de vorige eeuw. Maar als toeristische trekpleister zijn deze kaasmarkten met hun waag nog steeds een groot succes.

Nederland als kaasland wordt sinds 1961 belichaamd door Frau Antje, een verzonnen Nederlandse boerin die door een Nederlandse actrice gespeeld wordt om de Nederlandse zuivelindustrie in Duitsland te promoten. Meertens Instituut onderzoekster Sophie Elpers publiceerde er een studie over onder de titel Hollandser dan kaas. Uiteraard leent Frau Antjes rol zich ook voor allerlei persiflages. Geen Nederlander zal zich hier verder druk over maken. Net zomin als over het scheldwoord Kaaskop dat nogal eens gebruikt wordt om Nederlanders aan te duiden. Het is zo afgesleten dat niemand erbij stilstaat dat dit woord de aanduiding is van de houten vorm waaraan Edammer kazen hun ronde model te danken hebben.