groot-dictee.jpg

Dit jaar wilde ik eens ervaren hoe het is om ‘live’ met het Groot Dictee der Nederlandse Taal mee te doen. Dus ben ik donderdagavond met pen en papier voor de televisie gaan zitten om de door Kees van Kooten bedachte en door Philip Freriks en Martine Tanghe voorgelezen zinnen uit te schrijven. Vooraf werd bekendgemaakt dat de spelregels voor deze 24e editie iets waren aangepast. Vanaf zin vier ging het niet alleen om het spellen, maar moesten ook de ‘verhaspelingen’ in de zinnen worden onderstreept. Tijd om tot me door te laten dringen wat hiermee precies bedoeld werd, was er niet, want onmiddellijk hierna begon het voorlezen.

 

Al schrijvend had ik naar mijn idee redelijk grip op de schrijfwijze van de woorden. Alleen klonken er op cruciale momenten woorden die me volkomen vreemd voorkwamen en waarbij ik geen enkel woordbeeld had. Er zat niets anders op dan op goed geluk ‘fonetisch’ weer te geven wat ik hoorde, maar dat valt erg tegen. Van wat achteraf  ‘wiewauwden’ moest zijn, maakte ik ‘inwouden’ en ‘imbroglio’ werd bij mij ‘improjo’. Al vóór de vierde zin merkte ik ook dat er aan de zinsconstructies iets haperde maar het weergeven van de losse woorden vroeg zoveel concentratie dat ik daar verder geen aandacht aan besteedde.

 

Vanaf de vierde zin, waar het onderstrepen van de ‘verhaspelingen’ begon, doken er opeens woorden op die duidelijk verkeerd waren: ‘gerianiums’, ‘veelbetekend’ en ‘onwelwillig’. Ik vond het vreemd om ze fout over te nemen en alleen te onderstrepen. De context was ik vrijwel kwijtgeraakt.

 

Uiteindelijk had ik als resultaat 31 fouten, een gemiddelde score onder de serieuzere deelnemers, waar ik niet ontevreden mee was. Maar ik vraag me alleen af welk doel met het Groot Dictee beoogd wordt. Is het alleen voor specialisten bedoeld of bevat het een boodschap voor iedereen? Uit de reacties op Twitter begrijp ik dat het Nederlands taalgebied een selecte groep dicteetijgers kent voor wie het Groot Dictee het hoogtepunt van het jaar is.   Zo iemand is Dirk Bosmans uit Brussel, die met 12 fouten als winnaar uit de bus kwam. Dat hij op dezelfde lagere school gezeten had als, de winnaar van vorig jaar, Edward Vanhove, was reden voor de NOS om daar de volgende dag meteen een kijkje te nemen. Meester Mathy, die leerling Bosmans de eerste beginselen van de spelling had bijgebracht, toonde zich zeer ontroerd. Het toeval wil dat hij volgende week met pensioen gaat. De overwinning van zijn ex-leerling ziet hij als zijn mooiste afscheidsgeschenk. Directeur Victor Medaer vertelde dat zijn school over een eigen spellingmethode beschikte die uitgaat van luisteren en kijken naar woorden. Het lijkt me de moeite waard om deze methode eens te onderzoeken.

 

En dan waren er nog één miljoen mensen die hun televisie op het Groot Dictee hadden afgestemd? Wat verwachtten zij daarvan? Ik denk dat de makers hier in het vervolg wel wat meer rekening mee mogen houden. Uit de reacties op internet kon je opmaken dat ze massaal hadden afgehaakt. Met name Kees van Kooten moest het ontgelden. Hem werd verweten dat hij, alleen maar om het moeilijk te maken, zijn toevlucht had gezocht tot woorden waarvan je de spelling weet omdat ze nooit gebruikt worden. En ook dat het van hoogmoed getuigt om ‘verhaspelingen’ die aan Van Kootens succes als humorist refereren (‘gerianiums’) bij wijze van spiegel voor te houden aan ‘journalisten en andere taalgebruikers’ als voorbeelden van hoe het niet moet. Ik ben benieuwd of de makers zich deze kritiek zullen aantrekken en welke weg zij volgend jaar zullen inslaan.

 

Tussen alle kritiek met vaak zeer scherpe randjes stond ook een ingetogen reactie van Ivo de Wijs die mijns inziens precies aangaf wat er aan dit dictee schortte: ‘Mensen worden bang om de pen op te pakken. En men kan beter mét fouten schrijven, dan helemaal niet.’