tennis.jpg 

Ik luister vaak naar radioprogramma’s met lange interviews zoals Casa Luna, Kunststof of De Avonden. Vaak opent het tweegesprek met de vraag van de interviewer of ze elkaar zullen tutoyeren of niet. Daarbij valt me op dat een voorstel om elkaar te tutoyeren bijna altijd wordt aanvaard.  Soms wordt achteraf nog even naar argumenten gezocht om de keuze te ondersteunen.

Deze beweegredenen om ‘u’ tegen elkaar te zeggen, worden in mijn ogen nogal eens erg gemakkelijk terzijde geschoven. Mogelijke redenen om elkaar met ‘u’ aan te spreken zijn leeftijdsverschil, respect voor wat de ander in zijn leven gepresteerd heeft en het feit dat de twee elkaar nooit eerder hebben ontmoet. In de huidige praktijk heeft de oudere of degene die veel gepresteerd er in veel gevallen toch moeite mee om met ‘u’ te worden aangesproken. Het lijkt erop dat het onderscheid tussen ‘u’ en ‘jij’ naar zijn of haar niet strookt met het principe dat de ene mens niet meer is dan de ander. Hier worden verschillende zaken door elkaar gehaald, zou ik zeggen. Het zou in bepaalde gevallen op zijn plaats zijn als mensen meer voet bij stuk hielden om met ‘u’ te worden aangesproken. Niet omdat zij zich daarmee meer of beter zouden voelen maar omdat zij een groep vertegenwoordigen die baat heeft bij enige distantie. Gezagsdragers, beroepsgroepen, of gewoon degenen met veel ervaring op een bepaald gebied.

Taal als instrument om respect uit te drukken is een belangrijke eigenschap. In de Nederlandse taal mag die niet verloren gaan. De laatste decennia heeft de strijd tegen taalverruwing zich nogal gefocust op afzonderlijke woorden die beledigend kunnen zijn: een scheidsrechter die ‘blinde tyfusvink’ wordt genoemd, het voeren van het opschrift ACAB in het bijzijn van de politie, samenstellingen met kanker-. Natuurlijk is het goed dat tegen dergelijke gevallen wordt opgetreden. Maar een korte woordenwisseling tussen Rutte en Wilders afgelopen week maakte duidelijk dat ook zonder één enkele ‘krachtterm’ grenzen ver overschreden kunnen worden.

In de Tweede Kamer ging het debat de volgende dag weer verder alsof er niets was gebeurd. Maar echt de dupe hiervan zijn de talloze leraren, politieagenten en personeelschefs die uit moeten leggen dat ze een opmerking als ‘doe eens normaal man’ van verkeersovertreders, leerlingen en werknemers niet kunnen accepteren omdat ze nu eenmaal leraar, politieagent of personeelschef zijn en dat zo goed mogelijk proberen te zijn. Misschien dat uitbreiding van de aanspreekvorm ‘u’, met goede argumenten uiteraard, vruchteloze discussies over ‘beledigend taalgebruik’ kan voorkomen. 

Wat de Nederlandse taal betreft. Wanneer in genoemde radioprogramma’s een van onze zuiderburen te gast is en de vraag om elkaar te tutoyeren krijgt voorgelegd, is de reactie vaak: ‘Als u dat wilt doe ik wl mee, maar in Vlaanderen zou u mij deze vraag niet stellen.’