boer.jpg

Ondersteuning bij het opbouwen van de woordenschat door cursisten is een belangrijke taak voor de Nt2 docent. En leuk omdat je er veel van jezelf in kwijt kunt. Woorden roepen andere woorden op. Bij ‘lepel’ horen ‘vork’ en ‘mes’; bij ‘plant’ horen ‘bloem’, blad en ‘wortel’. Voor je het weet, staat het hele bord vol met woorden. Maar hoeveel nieuwe woorden kan een cursist aan op een dag? Veertig, vijftig? Het is dus zaak dat je je beperkt tot de belangrijkste woorden. Welke dat zijn, verschilt per situatie. Het idee van vaktaal is hierop geënt.

In mijn begintijd als Nt2-docent gaf ik les aan de afdeling motorentechniekafdeling van een ROC. ‘Begin maar gewoon met de onderdelen van een verbrandingsmotor,’ zeiden mijn collega’s praktijkdocenten, ‘dat bespaart ons een hoop werk.’ Ik heb het geweten. Eén cursist, een Iraanse ingenieur trok alle aandacht naar zich toe en hield niet op met vragen. De rest haakte ruim binnen de twintig onderdelen af. Bedenken van een criterium de ‘belangrijkste onderdelen’ was geen optie. Een motor werkt nu eenmaal alleen bij gratie van alle onderdelen.

Na de nodige ‘vlieguren’ als Nt2 docent ben ik wijzer geworden. De vraag welke woorden voor een cursist belangrijk zijn, vind ik nog steeds moeilijk te beantwoorden maar wat ik geleerd heb, is dat de reden om een woord uit te leggen in het woord zelf besloten moet liggen. Een must voor extra toelichting zijn in mijn ogen de homoniemen ‘waar’, ‘weer’, ‘recht’, ‘regel’, ‘bad’ en ‘was’. Om ze niet te vangen zijn als idiomatische begrippen plak ik er taalkundige etiketjes op: werkwoord, enkelvoud, verleden tijd, vraagwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord enz. En ik probeer leuke, illustratieve voorbeelden bij de verschillen te bedenken ‘Waar is dat?’ tegenover ‘Is dat waar’ of ‘het is weer mooi weer vandaag.’

Ook modale woorden als ‘eigenlijk’, ‘zeker’, ‘even’ of ‘maar’ vind ik belangrijk om per woord wat dieper op in te  gaan. Ik laat horen hoe je met behulp hiervan twijfel, overtuiging, beleefdheid of vriendelijkheid aan een vraag of mededeling toevoegt, iets wat vanuit een vreemde taal vaak moeilijk aan te voelen is.

Een enkele keer, in een overmoedige bui kan ik het niet laten om ‘ouderwets’ op de betekenis van een woord uit te leven en er onbekommerd een tiental andere woorden bij te slepen. Die aanvechting heb ik bijvoorbeeld bij het woord ‘boer’. Dit woord heeft voor mij een bijzondere lading en ik vind het te simpel om het af te doen met een vertaling als ‘farmer’ of ‘campesino’. In zo’n bui zet ik het woord ‘boer’ af tegen ‘tuinder’ en tegen ‘stadsmens’. Ik laat de negatieve klank van ‘boers’ horen aan de hand van een nummer van ‘Normaal’ (‘Ik ben maar een boeren…..’) en vertel hoe ‘boer’ als geuzennaam is opgepikt door de supporters van De Graafschap (‘superboeren’).  Om te eindigen de met de merkwaardige hype rond ‘Boer zoekt vrouw’ inclusief de nodige persiflages op het programma. Is dat dan zo belangrijk? Sommige cursisten boeit het wel, anderen niet. In ieder geval werkt zo’n ‘onbezonnen’ uitstapje alleen als je het met enthousiasme doet. Daarmee laat je zien dat taal leeft. Dat dit belangrijk is, lijdt geen twijfel.