btw.jpg 

Tijdens de bezuinigingsonderhandelingen van de laatste dagen is er veel gesproken over de verhoging van de btw-tarieven. Voorlopig is besloten om het 19% tarief te verhogen naar 21%. Veel producten zullen hierdoor aanzienlijk duurder worden.

Btw is een belasting die in 1969 in Nederland werd ingevoerd vanwege Europese wetgeving. De afkorting staat voor belasting over de toegevoegde waarde. De Belastingdienst hanteert de naam omzetbelasting. Bedrijven zijn verplicht om de prijs van geleverde goederen en diensten te verhogen met een voorgeschreven percentage. Als regel is dat het normale 19% (dat binnenkort dus omhoog zal gaan naar 21%) of het verlaagde 6% tarief. Verder bestaat er ook nog een categorie goederen en diensten die vrijgesteld zijn van btw.

De taak om omzetbelasting in rekening te brengen, te innen en af te dragen aan de Belastingdienst bezorgt bedrijven nogal wat administratie. Al zullen de meeste ondernemers dit niet zo ervaren, in economische zin zijn zij slechts doorgeefluik van dit deel van hun omzet. De consumenten bij wie hun diensten en producten terechtkomen, zijn de betalers.

De politieke discussie van de afgelopen dagen ging over de vraag of de lage of hoge inkomens de meeste gevolgen hiervan van de verhoging zullen voelen. Dit is een ingewikkelde kwestie waarbij al snel onderscheid gemaakt wordt tussen basisbehoeften en artikelen die gemist kunnen worden. Eten en drinken vallen onder het verlaagde tarief, de meeste andere goederen onder het normale tarief. Maar in hoeverre kun je stellen dat computers, huishoudelijke apparaten, meubels, kleding of gereedschappen gemist kunnen worden?

Wanneer je de lijst van de verlaagde tarieven bekijkt, zie je dat daarop veel ‘ambachtelijke’ diensten voorkomen: kappersbezoek, herstellen van fietsen, kleding en schoenen, schilderen en stukadoren van oudere woningen. Door deze diensten voor consumenten goedkoper te houden probeert de overheid de werkgelegenheid van bedrijven binnen deze sectoren op peil te houden. Dit deel van de lijst is niet samengesteld op basis van het criterium ‘basisbehoeften’.

Nog een categorie waarvoor het verlaagde tarief geldt, zijn culturele activiteiten en sportbeoefening. De achterliggende gedachte hierbij is dat deze activiteiten die belangrijk zijn voor iemands persoonlijke vorming meestal worden uitgevoerd door organisaties die niet opgericht zijn om winst te maken. Ook hier blijkt dat btw-tarieven zich niet bedacht zijn om onderscheid tussen basisbehoeften en luxe uit te drukken. 

Het antwoord op de vraag of lage of hoge inkomens het meest door de verhoging getroffen worden, zal dus op andere gronden berekend moeten worden. Ongetwijfeld gaan het CBS en de politieke voor- een tegenstanders van de verhoging hiermee onmiddellijk aan de slag. 

Interessant is ook hoe het zit met het Nederlandse btw tarief in vergelijking met andere Europese landen. De gehanteerde tarieven blijken nogal uiteen te lopen. Zij variëren tussen 15% (Luxemburg) en 27% (Hongarije). Met 19% behoorden wij bij de landen met de laagste tarieven. Na de verhoging komt Nederland in de middenmoot.

Nu de bezuinigingen zo actueel zijn, en btw zo’n cruciale rol speelt in de lijst met afspraken, lijkt het een goed idee om hier een les aan te wijden. Handig is dat je dit op elk niveau kunt doen. In groepen die wat meer aankunnen en waarin misschien potentiële zzp’ers zitten, kun je als onderwerp nemen wat btw is en hoe een ondernemer daarmee om moet gaan. In groepen waarvoor dat te hoog gegrepen is, kun je een eenvoudig huishoudboekje als uitgangspunt nemen en bij elke post bekijken hoeveel btw daarvoor betaald is.