vlooientheater

Komende maanden worden veel Nederlandse plaatsen door een kermis bezocht. De tien dagen durende Tilburgse kermis is met 240 attracties daarvan de grootste. In het noorden van het land houden de Noord-Hollandse kermissen de bevolking in hun greep.
De kermistraditie gaat terug tot de Middeleeuwen en heeft van oorsprong een religieus karakter. Tijdens jaarmarkten werd een ‘kerkmis’ opgedragen voor de lokale patroonsheilige. Daar omheen werden optredens verzorgd door toneelspelers en muzikanten. In de loop van de tijd werden de feesten steeds uitbundiger en verloren ze hun religieuze karakter, vooral in de steden.
Vanaf de 17e en 18e eeuw werd de kermis steeds meer een plaats waar rondtrekkende gezelschappen theatervoorstellingen opvoerden. Om de nieuwsgierigheid van het publiek te prikkelen werden abnormale ‘schepselen’ getoond: kalveren met twee koppen of schapen met vijf poten. Maar ook mensen met ongewone en tot de verbeelding sprekende kenmerken waren publiekstrekkers: lilliputters, vrouwen met baarden en reuzen.
Gedurende de achttiende eeuw kwam de kermis in een kwaad daglicht te staan. Bezoekers kwamen er om te drinken, te vechten en ander losbandig gedrag. In de 19e en 20e eeuw schaften veel gemeenten hun kermis daarom af.
Na de Tweede Wereldoorlog won de kermis weer aan populariteit. Ook voor kinderen was van alles te doen. Ik herinner me attracties die ik begin jaren zestig op de kermis van Gouda gezien heb waarvan ik me bijna niet meer kan voorstellen dat het er toen echt zo aan toe ging. Ik heb in een vlooientheater gestaan waar vlooien een koetsje voorttrokken terwijl de baas vertelde dat het steeds moeilijker werd om aan mensenvlooien te komen en dat hij een gulden bood voor elke vlo. Een eindje verderop werd door een getralied luikje een donkere ‘wilde vrouw’ getoond. Naast de tent brandde een vuurtje waarin staven ijzer roodgloeiend gestookt werden. Wie naar binnen ging, zag hoe ze die met haar handen en tong aanraakte zonder dat ze verbrandde. Aan het eind van deze voorstelling werd iemand uit het publiek uitgenodigd om een partij met haar te schermen. Gevochten werd er trouwens ook veel op stillere plekjes achter de kramen, en gemeen ook. Het was de tijd van de nozems.
Mechanisch aangedreven kermisattracties als zweefmolen, botsautootjes, cake-walk en ‘de rups’ wonnen toen al steeds meer terrein. Zij zijn het gezicht van de moderne kermis gaan bepalen met veel licht en veel geluid. Maar om die oude kermis nog eens te laten herleven, besluit ik met een gedicht van Gerrit Achterberg over de kermis van Laren, eind jaren veertig.

Kermesse d’été

Ik liep met Mok gelukkig op de brink
van Laren waar de zomerkermis krijste.
Wij wilden in de rutsbaan, maar hij was de wijste:
er zat toch ergens al een kink?

Hij zei: kijk liever door je bril hoe of het blinkt.
Ik keek geamuseerd naar omgevallen meisjes,
die lagen op de roltrap, bloot en wijdbeens,
van monstrueuze raderen omringd.

De blikken spiegels klaterden gelei,
waartegen dikke mannen moesten lopen.
Een dito dame stond mij om te kopen,
maar Maurits Mok, mijn vriend, waarschuwde mij

Heilige tenten met gordijnen om
maakten de boeren dom, zij waren stil
aan ’t overleggen met hun eigen wil
of een van hen naar binnen stappen kon.

Zweefmolens zwaaien open en weer dicht
hun rok van kralen en de schommelschuiten
voelen bij iedere bel hun bodem stuiten
tegen een rug die zich heeft opgericht.

Het hengelen naar flessen met een ring
is een heel ding voor kleine kinderen.
Hemel noch hel kan hen verhinderen
te vissen in die zware glinstering.

Het peloton staat voor de schiettent klaar
om alle poppen te executeren.
De eigenaar reikt rustig de geweren.
Hij lijmt de stukken wel weer aan elkaar.

Gruwelen op sterk water. Mensenvlees.
Vooral verloofden moeten er naar toe,
om eindelijk te weten wat en hoe.
Zie eens zo’n ding, fluisteren vrouwen hees.

En sla eens op de kop van jut, zijn hersens
krijzelen langs een liniaal omhoog,
waar ze uiteen slaan, driemaal, kort en droog
en zich verspreiden in het universum.

De cake-walk karnt de mensen, voet wordt knie
en knie wordt kin, het hoofd tolt in je borst.
Voordat de laatste glijvlucht je verlost
ben je zo opgerold als een oblie.

Later over de Hilversumse hei
naar huis toe lopend, beten door de nacht
de valse tanden van het geile licht
vale kwetsuren op de blauwe lei,
die ver over ons heen het Gooi in lag.
Ik weet niet meer wat Mok er nog van zei.