aardgas 

Deze maand wordt de ontdekking van de aardgasbel onder het Groningse Slochteren herdacht. Ik herinner mij nog goed hoe Nederland halverwege de jaren zestig van het stinkende vettige stadsgas overschakelde op het schone, reukloze aardgas. Overal door het land werden dikke leidingen aangelegd. De lassers die dat deden, vormden een speciale elite. Naar zeggen genoten zij het aanzien en verdienden ze het salaris van chirurgen. Voor het laatste transport naar de huizen konden de bestaande gasleidingen gebruikt worden. Op de dag dat de omschakeling plaatsvond, moest je het gasstel voorzien van nieuwe pitten. In diezelfde jaren vond een omwenteling plaats in verwarmen van huizen. In de meeste huishoudens maakte de kolenkachel plaats voor een gashaard. In ons gezin bleef de kachel gewoon staan. Kolenscheppen bleef mijn taak. Doordat in onze straat de oude kolenkitten met de komst van het aardgas overal voor het oprapen lagen, verzamelde ik er zoveel dat ik ze in één keer voor de hele week tegelijk kon volscheppen.
Een van de vroegste televisiespotjes van de publieke omroep stimuleerde de mensen om maar zoveel mogelijk aardgas te verbruiken: ‘In Holland staat een huis. En naar dat huis daar loopt een buis…’ De Nederlandse staat, eigenaar van het gas, wilde het aardgas zo snel mogelijk leeg hebben. Binnen enkele decennia zou atoomenergie alle andere energiebronnen overbodig maken, was toen de gedachte. Ook minister Luns van Buitenlandse Zaken ging mee in deze strategie. Hij sloot termijncontracten met het buitenland af voor aardgaslevering tegen prijzen die in de jaren zeventig in het licht van de energiecrisis absurd laag bleken te zijn.
Al vijftig jaar vloeit er dankzij het aardgas nog steeds veel geld in de staatskas. Al die tijd is er op politiek niveau grote onenigheid over de manier waarop de overheid met deze baten omgaat. Joop den Uyl vond in de jaren zeventig dat de opbrengsten voor de kosten van de sociale zekerheid gebruikt konden worden. Zijn tegenstanders zagen dit als potverteren. Ruud Lubbers richtte in de jaren tachtig het Fonds Economische Structuurversterking (FES) op. Door middel van dit fonds beheren de ministers van Economische Zaken en Financiën de aardgasvelden. Het uitgangspunt is sinds die tijd dat het wegvloeiende ‘ondergrondse’ kapitaal omgezet moet worden in ‘bovengronds’ kapitaalgoed: versterking van de infrastructuur. Toch blijft het voor bewindspersonen steeds verleidelijk om financiële gaten met de aardgasbaten te dichten. Sinds 1959 is slechts 15 procent daadwerkelijk voor dit doel aangewend. Terwijl aan sociale zekerheid en collectieve zorg respectievelijk 25 en 10 procent is opgegaan. Voor wie iets van Nederlandse politiek wil begrijpen is het Nederlandse aardgas heel belangrijk.