paard-troje.jpg 

Ik heb vroeger nooit klassieke talen als vak gehad. Later heb ik dat wel eens als een gemis gevoeld. Bij schrijvers en schilders als Vondel, Hooft en Rembrandt bijvoorbeeld, kom je allerlei klassieke thema’s tegen. Om hun werken goed te begrijpen is het nodig om daar meer van af te weten en voor gymnasiasten is dat een open boek, dacht ik altijd.

Later ben ik gaan inzien dat bekende klassieke thema’s niets anders zijn dan weergaven van verhalen die door overlevering steeds zijn aangepast en opnieuw geïnterpreteerd. Dát is het wezen van klassieke studies, begrijp ik nu, meer dan de kennis over goden, halfgoden, hun familiebanden en ruzies.

In het Amsterdamse Allard Pierson Museum loopt op dit moment een tentoonstelling over Troje die je op een nieuwe manier naar de klassieke oudheid leert kijken. De titel Troje, Stad, Homerus en Turkije lijkt op het eerste gezicht een samenraapsel, teveel in één voor een tentoonstelling. Niets blijkt echter minder waar bij een bezoek.

De tentoonstelling is de afsluiting van de viering 400 jaar diplomatieke banden tussen Turkije en Nederland. De ‘voertalen’ van de tentoonstelling zijn Turks en Nederlands, een combinatie die verrassend natuurlijk aandoet in dit geval. De mythische stad Troje ligt immers in Turkije.

Wie waren de ‘Trojanen’ die volgens ‘de overlevering’ in een tien jaar durende oorlog door de Grieken verslagen werden? Hoe verhoudt die overlevering zich tot de werkelijkheid? Dat zijn de vragen die worden gesteld en beantwoord.

Troje was de plaats van handeling van een mythisch verhaal over goden en mensen, dat voor het gemak vaak wordt toegeschreven aan de dichter Homerus over wie op zijn beurt allerlei oncontroleerbare verhalen de ronde doen. Daarnaast was er vierduizend jaar lang een stad in Klein-Azië gevestigd die na de Romeinse tijd achterbleef als een verlaten heuvel, Hisarlik genaamd.

In 1870 zette de steenrijke Duitser Heinrich Schliemann hier een legertje arbeiders aan het graven om aan te tonen dat hier de stad Troje uit het verhaal van Homerus gelegen had. Na korte tijd kwam hij op de proppen met een verzameling kostbaarheden die hij in de heuvel gevonden had en noemde deze de ‘schat van Priamus’ (de koning van Troje die in het verhaal de stad aan de Grieken verloor). Hiermee werd Schliemann tot de dag van vandaag de beroemdste archeoloog uit geschiedenis. In feite had zijn graafwerk echter weinig met archeologie te maken en moet het naar hedendaagse maatstaven meer gekwalificeerd worden als ‘schatgraven’. Gelukkig hebben zijn opvolgers de opgravingen wél professioneel aangepakt en is duidelijk geworden dat de heuvel ontstaan is uit minstens zeven verwoeste en opnieuw opgebouwde steden. En het grootste deel van de heuvel bij de stad Çannakkale moet nog doorzocht worden, dus wie weet wat de toekomst nog meer in petto heeft.

Misschien wel het interessantste aspect van de tentoonstelling vond ik te zien hoe machthebbers door de eeuwen heen zich beijverd hebben om hun eigen ‘roots’ en die van hun volk in verband te brengen met Troje. Voorbeelden die genoemd worden zijn Alexander de Grote, keizer Augustus, Mehmet II en Atatürk. Zo worden van oude mythen weer nieuwe mythen gemaakt en zo kunnen we zelfs onze eigen Joost van den Vondel in deze traditie plaatsen. In zijn Gysbrecht van Amstel vergelijkt hij de geschiedenis van Amsterdam met die van Troje. Beide steden werden verwoest door strijders die door dezelfde list de stad binnenkwamen en beide kwamen later weer tot bloei. Alleen wat in Troje het paard was, was in Amsterdam een boot met de naam ‘Het Zeepaard’.

Voor de meeste mensen is naam Troje natuurlijk vooral verbonden met het paard. Op een dekschuit in het water van het Rokin staat een 12 meter hoog nagemaakt houten paard van Troje opgesteld voor het publiek van het Amsterdam Light Festival. En wie wil weten hoe het écht zat met dat paard? Die zal voor het antwoord dus naar binnen moeten……