Het Verzetsmuseum in Amsterdam presenteert dit jaar een tentoonstelling over de Nederlandse voetbalsport tijdens de bezettingsjaren. Het fenomeen voetbal is een mooi aanknopingspunt om je een voorstelling te maken van het ‘gewone leven’ in de oorlog. Er was in de oorlogsjaren grote behoefte aan afleiding en vermaak.

Voetbal was in de crisisjaren al ongekend populair als kijksport en om zelf te doen. Na de inval van de Duitsers wilden de liefhebbers zich dat plezier niet laten ontnemen en de bezetters hadden ook geen reden daartoe. Alle energie die Nederlanders in sport staken was in elk geval niet tegen hen gericht, zo redeneerden zij.

De voetbalbond KNVB kon als NVB haar activiteiten voortzetten onder de zittende voorzitter Karel Lotsy, een man met wie de Duitsers konden praten. De Vaderlandse competities werden gespeeld tot 1944. In de Hongerwinter was het ook met het voetbal echt uit.

De kracht van de tentoonstelling zit hem in allerlei concrete details die de bekende historische feiten zo scherp weerspiegelen: de jodenvervolging, de schaarste aan voedsel en kleding; de dwangarbeid in Duitsland van mannen tussen 17 en 40 jaar, collaboratie en verzet.

Het Haagse ADO werd in deze jaren twee keer achter elkaar kampioen. Speler Gerrit Vreken, bezorgde zijn Haagse club echter een bedenkelijke reputatie door zich regelmatig in NSB uniform te tooien. Hoe anders was dit bij de kampioen van 1944, het Amsterdamse de Volewijckers, dat het aandurfde om een belangrijke wedstrijd in het oranje te spelen, waarna de voorzitter voor enkele dagen werd vastgehouden.

Aan het begin van de oorlog kregen joodse spelers een speelverbod en werd joodse bezoekers de toegang tot voetbalvelden ontzegd. Sommige clubs hielden daarmee op te bestaan, waaronder het Haagse Ooievaars en het Amsterdamse HEDW. Gevangenen in Sobibor spraken af om hun HEDW na de oorlog weer nieuw leven in te blazen, hetgeen inderdaad gebeurd is.   

Elftallen van dwangarbeiders vormden in Duitsland nationale teams die officiële interlands speelden. Zo zijn er beelden te zien van de wedstrijd Nederland – Servië in 1943 in een bomvol Duits stadion. Een andere opname toont een voetbalwedstrijd van gevangenen in Westerbork op een hobbelig veld met provisorische doelen maar met een echte leren bal en duidelijk plezier in hun spel.

Ook de berichtgeving over voetbal ging gewoon door. Ed van Opzeeland werd de toonaangevende Nederlandse sportjournalist. De vermaarde radioverslaggever Han Hollander moest zijn werk staken vanwege zijn joodse komaf. Hij overleefde de oorlog niet.

Clubbladen bleven verschijnen zolang er papier was. Opmerkelijk is een uitgestald nummer van ‘De Spartaan’ uit juni 1940. Bij de bezorging aan huis bleek een aantal Rotterdamse adressen van leden niet meer te bestaan, zo meldt de redacteur op de voorpagina. Voor deze leden was toch een exemplaar van het blad gereserveerd dat zij zelf bij het Spartastadion konden afhalen.

Buiten de wedstrijden en trainingen om werden voetbalvelden bezocht door onbekenden op zoek naar hout voor hun verwarming. Van de ADO-tribune waren aan het eind van de oorlog alle planken verdwenen, zo laat een foto met kale betonnen uitsteeksels zien. De tribune van DWS bracht het er beter af maar deze club had bijtijds een continue bewakingsdienst ingesteld.

De tentoonstelling houdt niet op bij de bevrijding. Veelzeggend is de foto van de eerste wedstrijd na de oorlog van Ajax. De spelers zijn gekleed in shirts die door Arsenal zijn afgestaan.

Bevrijdend moet ook de eerste naoorlogse interland Nederland – Duitsland in 1956 zijn geweest die Nederland met 2 – 1 won. Wat misplaatst vind ik dat de tentoonstelling de ‘historische lijn’ nog verder doortrekt naar de tegen Duitsland verloren WK finale in 1974 en de uiteindelijke Nederlandse revanche daarop op het EK in 1988. Een gewonnen voetbalinterland kan op geen enkele manier in verhouding staan tot het leed dat miljoenen is aangedaan tijdens de oorlog. 

Ik wil niet zeggen dat het heden buiten beschouwing moet blijven, integendeel. Sterk vind ik de getuigenissen waarmee bekende figuren uit de hedendaagse voetbalwereld de verwoestende kracht van oorlog dichtbij de jongere bezoekers van de tentoonstelling brengen. Guus Hiddink vertelt over hoe zijn vader actief was bij het verzet in zijn geboorteplaats Varsseveld. De joodse profvoetballer Daniel de Ridder van Wigan Atletics beseft dat zijn carrière zeventig jaar geleden onmogelijk was geweest. Sulejmani, een echte Ajacied van nu, vertelt dat hij als jongetje tussen het puin van Serajevo zijn eerste balletjes trapte.