wrakken
Er zijn zo’n 50.000 plekken in de Nederlandse wateren waar mogelijk een scheepswrak ligt en op duizend plaatsen is er daadwerkelijk een aangetroffen. Gezonken schepen spreken tot de verbeelding. Het bekendste schip dat nog ergens op de Nederlandse zeebodem moet liggen, is de Engelse Lutine die in 1799 met een grote lading goud en zilver tussen Vlieland en Terschelling verging. De omgeving is al vele malen afgezocht maar slechts één goudstaaf is tot nu toe ‘officieel’ geborgen. (Er gaan geruchten dat het er ‘onofficieel’ veel meer moeten zijn).
Net als in de ‘gewone archeologie’ voltrekt zich de laatste decennia in de ‘maritieme archeologie’ een verschuiving in het denken. Niet goud, zilver en diamanten of potentiële museumstukken zijn de inzet maar het vergaren van kennis over het verleden. Scheepswrakken zijn cultureel erfgoed en het is tegenwoordig dan ook een overheidstaak om ze als ‘onderwatermonumenten’ te beschermen, ook als ze nog niet ontdekt of onderzocht zijn.
In deze nieuwe manier van denken past ook de keuze om wrakken en de plek er omheen met rust te laten. Ook toekomstige generaties krijgen op die manier gelegenheid om onderzoek te doen. Elke tijd heeft een eigen kijk op de geschiedenis en stelt weer nieuwe vragen. Hoe werden schepen gerepareerd? Wat aten mensen aan boord? Hoe werden zeeslagen gevoerd? Bij het beantwoorden van dit soort vragen vormen wrakken objectieve bronnen.
Om te voorkomen dat belangrijke informatie over het verleden voor altijd verloren gaat, heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een apart Maritiem Programma opgezet. De voornaamste zorg is dat nog niet onderzochte wrakken goed afgedekt blijven tegen plunderaars, sleepnetten, vissersboten en paalworm.
Speciale aandacht krijgen op dit moment de tientallen wrakken die in het Oostvoornse Meer tussen Voorne Putten en de Eerste Maasvlakte liggen. Uit maritiem oogpunt is deze plek speciaal omdat hier vóór het graven van de Nieuwe Waterweg de natuurlijke ingang van de haven van Rotterdam lag. En het nabijgelegen Hellevoetsluis was vóór de Franse tijd de uitvalsbasis van de Marine.
Bij het wegzuigen van zand voor de Eerste Maasvlakte is een aantal scheepswrakken bloot komen te liggen die nu op verschillende manieren worden bedreigd. Het Oostvoornse Meer is zeer populair bij sportduikers. Zij kunnen makkelijk bij de vindplaatsen komen met het risico dat ze deze zullen verstoren. Scheepshout dat uit het zand omhoog steekt, wordt ook aangetast door waterbewegingen. Aanvankelijk is ervoor gekozen om dit nieuwe meer zoet te houden, een leefmilieu waarin de paalworm geen kans krijgt, gunstig voor de wrakken dus. Maar vanwege natuurbehoud is er toch weer voor gekozen om zout water binnen te laten waardoor de paalworm het vrij gekomen hout zal aantasten.
Het Maritiem Programma zorgt ervoor dat de wrakken die interessant zijn om op korte termijn te onderzoeken zo snel mogelijk aan de beurt komen en dat wrakken die beter kunnen blijven liggen voor toekomstig onderzoek opnieuw worden afgedekt. Ten slotte is er ook gedacht aan het onderwaterpubliek dat met eigen ogen wel eens een schip onder water wil zien. Ook sportduikers krijgen hun eigen wrakken.