natuurhistorisch.jpg

 

Het Natuurhistorisch Museum is een vrij klein museum, gevestigd in de voormalige stadsvilla ‘Villa Dijkzigt’ aan de rand van het Rotterdamse Museumpark. De opzet laat zich moeilijk in algemene termen beschrijven. De stijl sluit aan bij de originele manier waarop conservator Kees Moeliker regelmatig het landelijke nieuws haalt.

In de hal hangt een schematische weergave van de evolutie van levende wezens, een zogenaamd ‘cladogram’. Maar het museum is vooral bedoeld om te kijken naar de wonderen van de dierenwereld in de ruimste zin, nu en in het verleden. Verrassend is de uitgebreide verzameling fossielen uit de Nederlandse bodem. Stukken koraal die gevonden zijn in Haren in Groningen en haaientanden uit Maastricht, alle miljoenen jaren oud, bewijzen hoe anders de omstandigheden hier ooit zijn geweest.

Van recentere datum zijn de grote hoeveelheden beenderen die door vissers uit de Noordzee worden opgehaald. Tussen 50.000 en 30.000 jaar geleden vormde deze zeebodem een uitgestrekte mammoetsteppe. Andere vondsten van fossielen langs de Noordzee staan op naam van leden van de Werkgroep Pleistocene Zoogdieren. Veel van deze amateurs zijn dagelijks actief op de Tweede Maasvlakte wat tot bijzondere ontdekkingen leidt zoals een verzameling versteende hyenadrollen. Een gerespecteerde amateur die zich met het vak bezighoudt, is de douanebeambte Dick Mol. Tot ver buiten onze landsgrenzen is hij betrokken bij het uitgraven en prepareren van mammoeten.

Niet te vergelijken met de amateur van tegenwoordig waren de onderwijzers en leraren die een eeuw geleden natuurhistorische verzamelingen aanlegden voor volkseducatie. Twee van zulke eerbiedwaardige mannen uit Rotterdam hebben een ereplaatsje in het museum gekregen.

Van recente datum zijn de skeletten van een olifant en een giraf die veel Rotterdammers zich nog van hun bezoeken aan de Diergaarde Blijdorp zullen herinneren. Ook het skelet van de potvis dat te bewonderen valt, is nog niet zolang geleden op de Nederlandse kust bij Kijkduin aangespoeld.

Een bijzondere trekpleister vormen de dode dieren waarmee Kees Moeliker in de loop der jaren het nieuws gehaald heeft. De bekendste daarvan is waarschijnlijk de ‘Dominomus’ die Dominodag 2005 in Leeuwarden in de war dreigde te sturen door 23.000 stenen om te gooien en op illegale wijze voor het evenement geofferd werd. In hetzelfde rijtje past ook de ‘Tweede Kamermuis’ die in 2012 in de val liep en anoniem in een dienstenvelop bij het museum bezorgd werd. Luguber is de aanblik van de ‘Mc Flurry-egel’, een egel die zijn kop door de kraag van een lege ijsbeker van dit merk heeft gestoken om een laatste restje ijs uit te likken waarna de stekels het hem onmogelijk maakten om weer los te komen. Curieus kan ook de verzameling ‘natuurlijke afwijkingen’ genoemd worden met onder andere siamese kalveren en runderen met mismaakte schedels. Een beetje eng is ook de vitrine met ‘niet classificeerbare’ dieren die in de loop van de tijd aan het museum geschonken zijn. Oog in oog met een opgezet konijn met tien centimeter lange horentjes kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat deze door een knutselaar waren aangebracht. 

Een ongemakkelijk gevoel kreeg ik bij een menselijke schedel die in een vitrine tussen schedels van dieren geplaatst was om de evolutie inzichtelijk te maken. Ik zou deze keuze zelf niet gemaakt hebben.

‘Het Natuurhistorisch’ is geen museum om speciaal het land voor door te reizen. Maar als je toch in de buurt bent, en dat ben je als je naar een van de grote musea van het Museumpark gaat, beslist een bezoekje waard. Laat je vooral niet laten tegenhouden door het plechtig klinkende ‘natuurhistorisch’ in de naam en ga naar binnen om je te laten verrassen.