Onlangs heb ik een lezing gehouden op de NT2 conferentie in Blankenberge. De lezing was een vervolg op een workshop over burgerschap van Mirjana Smolic en mij, vorig jaar november bij de conferentie van 25 jaar tijdschrift Les. Onderstaande is een weergave van mijn lezing in Blankenberge.
In de tijd tussen die twee conferenties verscheen het rapport van de Commissie Dijsselbloem, onderzoeksrapport waarin de Nederlandse onderwijsvernieuwingen van de afgelopen twintig jaar onder de loep genomen werden met als conclusie dat er veel was misgegaan in het voortgezet onderwijs.
Nieuwe manieren van lesgeven werden van bovenaf aan scholen opgelegd zonder dat ze leertheoretisch voldoende onderbouwd waren. In lessituaties heeft dat tot vervreemding en frustraties bij leerlingen en docenten geleid.

De les voor de toekomst moet volgens het rapport dan ook zijn: de overheid mag wel eisen stellen aan de inhoud van het onderwijs, maar moet zich niet bemoeien met de manier van lesgeven.

Veel docenten reageren met: ‘we wisten dit eigenlijk al vanaf het begin en we begrijpen van onszelf niet hoe we ons zo mee hebben laten voeren.’

 

Ook de inburgeringscursussen zijn beïnvloed door dezelfde leertheoretische ideeën: zelfstandig werken, open leercentra en competentiegericht leren. Het zou interessant zijn om de resultaten bij de volwasseneducatie eens apart te onderzoeken. Wellicht zullen die gunstiger uitvallen, maar toch denk ik ook hier: laat docenten zelf beslissen over hun manier van lesgeven.
Het afgelopen jaar zijn inburgeringscursussen vooral in de ban van cruciale praktijksituaties en cruciale handelingen geraakt. De conclusies van de commissie Dijsselbloem indachtig kun je je afvragen: gaat het hierbij om van bovenaf opgelegde inhoud of over een van bovenaf opgelegde manier van lesgeven? Ik beperk me tot KNS en burgerschap maar bij de vele cruciale praktijksituaties en cruciale handelingen die voor NT2 zijn ontwikkeld kun je je dezelfde vraag stellen.

Ik maak een sprongetje naar 2004, het jaar van het rapport van de commissie Franssen.

In programma’s Kennis van de Samenleving zal gewerkt worden aan de ontwikkeling van burgerschapscompetenties, dat wil zeggen, de ontwikkeling van attitudes, van kritisch vermogen, juiste keuzes kunnen maken, ontwikkeling van verantwoordelijkheid en betrokkenheid en dergelijke. Daarbij is toegang tot de omringende samenleving van belang. Door actieve participatie komen inburgeraars in contact met instellingen en met de bevolking, waardoor een beter begrip over Nederland kan ontstaan. In de omgang met autochtonen kunnen inburgeraars zien op welke wijze zij hun leven ingericht hebben. Bovendien kunnen eigen opvattingen, overtuigingen en gedragingen bespreekbaar gemaakt worden in relatie tot die van autochtonen.

De aanbeveling van de commissie Franssen sloot in mijn ogen prachtig aan bij de visie op burgerschap die zich toen aan het ontwikkelen was.
Tezelfdertijd begonnen de ambtenaren van minister Verdonk met de ontwikkeling van een nieuw inburgeringsexamen. Daar is het systeem van cruciale praktijksituaties en handelingen geboren: een vorm die handig was als basis voor het ontwikkelen van examens. De minister zei ook dat de bemoeienis van de overheid zich zou beperken tot de examinering. Ontwikkelen van lesmethoden en lesprogramma’s zouden een zaak van de vrije markt worden.
Wat er nu gebeurt is dat er op die vrije markt allerlei programma’s KNS en burgerschap ontwikkeld worden op basis van cruciale praktijksituaties en handelingen. De examenvorm wordt als lesvorm gepresenteerd. Voor wat de programma’s KNS en burgerschap betreft, verbaast het me dat niemand in herinnering roept dat dit botst met de veel bredere basis die de Commissie Franssen voor de vakken KNS en burgerschap aanbeval: ontwikkeling van attitudes, van kritisch vermogen, juiste keuzes kunnen maken, ontwikkeling van betrokkenheid en dergelijke.
Ook verbaast het me dat, na alle kritiek, de aanbieders van inburgeringstrajecten met deze op basis van cruciale praktijksituaties en handelingen ingevulde lessen de normatieve kijk op burgerschap van de vorige minister lijken te beamen.
In de workshop van november hebben we laten zien dat burgerschap niet kan worden gereduceerd tot het gedrag dat de samenleving van nieuwkomers in allerlei situaties verwacht.
Echte b
urgerschap houdt juist in dat iedereen mag zeggen op welk gevoel je gedrag steunt.

Wat mezelf betreft: bij de KNS-methode Kom verder! heb ik de cruciale praktijksituaties en handelingen wel betrokken maar ik heb het boek ook een eigen gezicht gegeven. Met de soapvorm wil ik de cursisten de kans geven om zich te identificeren met Monica en de andere verhaalfiguren. Geen lijsten met handelingen die op een bepaalde manier moeten worden uitgevoerd maar centraal staat hun burgerschap: de motivatie en achtergronden van hun activiteiten en opvattingen. De soapvorm maakt het ook mogelijk om verschillende meningen tegenover elkaar te stellen.
Lessen burgerschap horen te gaan over wat in mensen leeft en waarom ze doen wat ze doen. Cruciale praktijksituaties en handelingen verdragen zich daar niet zo goed mee en programma’s die ze als uitgangspunt nemen verschralen het vak.

Inmiddels heeft de nieuwe minister Ella Vogelaar haar ideeën over de inburgering ontvouwd. Uiterlijk 2011 wil ze dat alle inburgeringsprogramma’s uit duale trajecten bestaan. Ik hoop dat deze visie meer mogelijkheden biedt om niet alleen het examen maar ook weer de lessen KNS en burgerschap een invulling te geven die de Commissie Franssen voor ogen had. Waarbij aangetekend dat de docent de verantwoordelijkheid hoort te dragen over zijn of haar manier van lesgeven. Ook daarover gaat burgerschap.