knmi

Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) in De Bilt is een Nederlandse overheidsinstelling die zich bezig houdt met het weer. Het woord meteorologisch in de naam is ontleend aan Aristoteles’ werk Meterologica uit 340 voor Christus schreef. Het Griekse meteoron betekent: hoog in de lucht of tussen aarde en sterren. Logica betekent: leer van.
Vanaf het oprichtingsjaar van het KNMI, 1854 wordt het weer in Nederland statistisch vastgelegd.
Aristoteles was de eerste wetenschapper die de oorzaken van weersverschijnselen beschreef. Volgens hem waren dat warmte, kou, droogte en vochtigheid. Als klassieke filosoof was hij echter meer beschouwend dan onderzoekend bezig. Voor natuurwetenschappen niet zo’n geschikte aanpak.
De zeventiende-+eeuwse Renaissance was hiervoor een betere voedingsbodem. Galilei was de eerste die zijn wetenschappelijke uitspraken baseerde op nauwkeurige waarnemingen, metingen en experimenten. Hiervoor moesten instrumenten worden ontwikkeld. Galilei bedacht een thermometer gemaakt van een cilinder gevuld met koolwaterstof. Anderen volgden met de barometer (1643), de windmeter (1667) en de hygrometer (1780). Zo konden weersverschijnselen voortaan gemeten en vergeleken worden.
Wetenschappers als Beaufort, Boyle en Benjamin Franklin zochten naar natuurkundige verklaringen van weersverschijnselen. Ontdekkingsreizigers kwamen onbekende weersverschijnselen tegen zoals tornado’s en orkanen en passaatwinden. Baanbrekend was de ontdekking van de natuurkundige Hadley dat de draaiing van de aarde de veroorzaker was van verschillende windrichtingen. Op grond hiervan kwam de Nederlander Buys Ballot later tot zijn beroemde wet waarvan velen op school gehoord hebben maar waarvan de strekking veel minder bekend is: als je in een lagedrukgebied met je rug naar de wind gaat staan, ligt het centrum links. Bij een hogedrukgebied is dat rechts. Je ziet dit ook op weerkaarten. In hogedrukgebieden draait de lucht met de klok mee; in lagedrukgebieden tegen de klok in. Dit op het noordelijk halfrond. Op het zuidelijk halfrond is het andersom.
De Zeeuw Christophus Buys Ballot werd in 1854 door Willem lll aangesteld als eerste directeur van het KNMI, toen nog Koninklijk Nederlands Observatorium geheten en in Utrecht gevestigd. Volksweerkunde en voorspellingen uit almanakken bleken over meer gezag te beschikken dan Buys Ballot lief was. Hij ergerde zich vreselijk aan de geringe belangstelling van het publiek voor zijn wetenschappelijke weersonderzoek.
Bij de start van radio en televisie kreeg het KNMI een vaste plek in de programmering. Door de bouw van meer weerstations en de inzet van radars en satellieten werden de voorspellingen na de Tweede Wereldoorlog geleidelijk beter.
Een bijzonder fenomeen in de wereld van de weersvoorspellingen was Jan Pelleboer uit Paterswolde. Aanvankelijk werkte hij als meteoroloog bij het KNMI maar al in de jaren vijftig merkte hij dat hij met een eigen weerpraatje een groot publiek kon bereiken. Hij was te horen bij de Wereldomroep, Radio Noord en Hilversum 3. In de jaren tachtig begon hij zijn eigen weerlijn. Drie keer per dag sprak hij een bandje met zijn weersvoorspellingen in dat iedereen kon bellen. Hiervan werd driftig gebruik gemaakt. Zo werd Pelleboer de bedenker van wat in de volksmond ‘de weerman’ is gaan heten. Op commerciĆ«le zenders en lokale omroepen zijn ze niet meer weg te denken.
Een publieke functie van het KNMI werd het geven van waarschuwingscodes in de kleuren groen, geel, oranje en rood voor storm, regen, sneeuw, warmte, kou enz. Ook houdt het instituut zich bezig met klimaatsverandering en het onderzoek hiernaar. Bij de Klimaatconferentie van de Verenigde Naties die op 30 november begint, zullen meteorologen van het KNMI Nederland vertegenwoordigen.