scp

De Participatiewet die per 1 januari ingaat, maakt veel los. Met deze wet wil de overheid de afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen voor groepen in de Nederlandse samenleving die moeilijk aan werk komen. ‘Mensen met arbeidsvermogen die ondersteuning nodig hebben’ volgens de toelichting. Over de haalbaarheid van deze doelstelling wordt veel gespeculeerd. De arbeidsmarkt is een complex systeem en ieders mogelijkheden hangen af van allerlei factoren.
Onlangs trad als gastspreker in de Tweede Kamer de Franse econoom Thomas Piketty op. Zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw werd dit jaar een bestseller. De strekking van zijn betoog is dat er op de wereld steeds meer mensen buitenspel komen te staan door alsmaar groter wordende vermogensverschillen. In hoeverre geldt dit voor Nederland?
Vorige week woensdag verscheen van het SCP het rapport Verschil in Nederland. Het gaat om een lezenswaardig studie met goed opgezette analyses en heldere conclusies. Volgens het SCP bestaat de Nederlandse bevolking momenteel uit zes lagen die van onder tot boven op elkaar gestapeld liggen.
De onderlaag wordt in het rapport aangeduid als de ‘achterblijvers’ en de bovenste laag heet ‘gevestigde bovenlaag’. Zij worden door het SCP ‘klassen’ genoemd met uitgesproken kenmerken. De vier lagen ertussen: de jonge kansrijken, de werkende middengroep, de comfortabel gepensioneerden en de onzeker werkenden zijn wat minder duidelijk af te bakenen.
Het SCP onderscheidt de lagen aan de hand van andere indicatoren dan financiële middelen sec, zoals Piketty doet en zoals dat in de politiek nogal gebruikelijk is. Het SCP beschrijft een sociaal, economisch en cultureel domein en kijkt meer aan ‘menselijk kapitaal’. De onderste en bovenste laag, de ‘klassen’ die het SCP klassen noemt, beslaan allebei 15 procent van de bevolking. Beide komen steeds meer los te staan van de rest van de samenleving. Qua samenstelling valt op dat de kansrijke groep nagenoeg geheel uit autochtone Nederlanders bestaat en dat er bij de achterblijvers veel migranten zitten. Dit is geen goed nieuws voor de integratie.
Wél goed nieuws voor de integratie is dat in de tweede laag, de ‘jongere kansrijken’ zich relatief juist veel niet-westerse migranten bevinden. Gemiddeld zijn de jongere kansrijken beter in Engels en handiger met computers dan de vertegenwoordigers van de bovenlaag. Het zijn veel studenten en iets minder hoog opgeleiden. Kansen voor mbo’ers dus.
Voor hen was er vrijdag nog een goed bericht met het verschijnen van de Keuzegids mbo 2015. In deze gids die jaarlijks wordt gepubliceerd worden alle mbo-opleidingsrichtingen doorgelicht. Verder worden er ook prognoses gegeven van de werkgelegenheid binnen de bijbehorende sectoren. Hierover valt te zeggen dat er voor studerenden aan het mbo over het geheel bezien een betere kans op een baan is dan voor hbo’ers en universitaire studenten.
De beste kansen zijn er voor afgestudeerden van de langere mbo-opleidingen, die op niveau 3 en 4. Gunstig zijn de vooruitzichten in de sectoren verpleging, elektrotechniek en medische assistentie. Daarnaast springt ook secretariaatswerk eruit. De IT sector daarentegen maakt als gevolg van de crisis nog steeds pas op de plaats.
In het mbo zijn nieuwkomers rijkelijk vertegenwoordigd. De prognoses van de Keuzegids mbo 2015 lijken dus gunstig voor hun integratie binnen de middelste lagen van de samenleving. Een praktische bevestiging van de conclusies van het SCP. Is integratie dan toch gewoon een kwestie van geduld?
De vraag blijft echter ook of de onderste laag van de samenleving de aansluiting nog zal kunnen maken. De Participatiewet lijkt een handreiking van bovenaf. Er staat dus veel te gebeuren in 2015.