museum.jpg

De Nederlandse kunstsector heeft het zwaar. Er moet bezuinigd worden en daarvoor wordt als eerste gezocht naar iets waarin geld verdwijnt en niet terugkomt. Ontwikkelingshulp, defensie, natuurbehoud en de kunstsector.

Toen premier Rutte zijn streven naar 200 miljoen aan bezuinigingen op kunst en cultuur afkondigde, volgde er een krachtig verweer. Op 20 november vond de gezamenlijke actie plaats ‘Nederland schreeuwt om cultuur’. Overal in het land werden protesten georganiseerd, sommige met een zeer sympathieke uitstraling. In Utrecht bijvoorbeeld werd de negende symfonie van Beethoven opgevoerd. In de Heineken Music Hall had Freek de Jonge een indrukwekkend programma in elkaar gezet dat live op tv werd uitgezonden.

Als gevolg hiervan werd het ‘nut van kunst en cultuur’ onderdeel van het publieke debat waarbij toch wel werd ingezien dat een wereld zonder kunst erg kaal en fantasieloos wordt. Voor de geest is kunst belangrijk en kunst kan niet alleen uit ‘highlights’ bestaan. Maar de keuze voor het kunstenaarschap is een riskante keuze. De meesten van hen zijn hardwerkende mensen alles doen om op niveau te presteren met weinig of geen garantie dat die inzet financieel iets zal opleveren.

 

De laatste jaren heeft de Nederlandse wetenschapper Gerard Marlet onderzoek gedaan naar de ‘economische waarde’ van kunst. Het toonde overtuigend aan dat investeringen in kunst zich ruimschoots terugbetalen. Alleen gebeurt dat vaak via ontzettend grote omwegen en blijft steun door de overheid onontbeerlijk voor de kunstenaar of kunstinstelling. Bewezen is dat een ruim kunstaanbod een stad aantrekkelijk maakt. Niet alleen voor toeristen maar ook als plek om te wonen. Met name bij hoogopgeleiden is het volgens Marlet een achterhaald beginsel dat mensen het liefste willen wonen op de plek waar zij werken. Zij stellen heel andere eisen waarbij de aanwezigheid van cultuur een belangrijke rol speelt. Het gekke is dat het hen vooral om het gevoel te doen is dat je op elk moment naar een theater of museum kan gaan. Of en hoe vaak men er daadwerkelijk gebruik van maakt, is iets anders. De opbrengst van kaartverkopen is maar een klein deel van de werkelijke opbrengst.  

De werkelijke opbrengst is bijvoorbeeld de hogere waarde van grond en woningen in steden met veel cultuur. Verder zullen bedrijven die afhankelijk zijn van kenniswerkers op zulke steden afkomen. Volgens Gerard Marlet zijn dit soort rendementen de investeringen in kunst en cultuur dubbel en dwars waard. Maar de kost gaat nu eenmaal voor de baat uit.